Over hoeren en horens
Waarheidsgehalte: 15,9875632% Eigenlijk weet ik alleen heel zeker dat ik vier dagen op vakantie was. De rest kan zomaar eens fictie zijn.
(Normaal stop ik meer aandacht in mijn stukjes. Maar momenteel ben ik balorig, of hormonaal, of in de overgang ofzo. En daardoor ontbreken de redactionele filters bij dit stukje enigszins. Je geniet er maar van. Of niet.)
Ik was vier dagen op vakantie in Giethoorn
en weet er nu uiteraard alles vanaf. Hier een geschiedenislesje:
Er was eens een groep wilde geiten. Op een dag verzopen ze allemaal, net als de helft van Nederland zo’n beetje. Dat kwam door een heel heftige stormvloed, ergens in 1170 en niemand had toen whatsapp om elkaar te waarschuwen. Tja. (En als het wel zo was hadden die geiten er toch niks aan want hoefjes en touch screens zijn geen goede match.)
Hoe dan ook, ongeveer honderd jaar later waren er van die groepen mensen, een soort hangouderen zeg maar. Alleen bleven die niet hangen, maar trokken rond. En om onderweg ook wat te doen te hebben geselden ze zichzelf, omdat ze dachten dat ze zo de toorn van God konden ontlopen. Zoiets was het, ik kan er best een beetje naast zitten want ik ben nou eenmaal niet zo thuis in welke religie dan ook. Maar er waren ook hoeren, misdadigers en gespuis en die vonden die rondtrekkende hangouderen best chill. Dus die sloten zich aan bij zo’n groep.
Dat werd een teringbende en de bisschop vond dat niet tof, want hij kon de boel op die manier niet goed controleren en reguleren. Hij zei tegen die groepen: “Dudes, stop eens met dat rondtrekken. Hier hebben jullie een mooi stuk land. Volgens mij is het hartstikke vruchtbaar. Ga daar nou netjes wonen en doe er jullie voordeel mee. Is God vast blij mee!”
Dat deden ze. Beetje grond bewerken, nederzettingen neder zetten, dat soort werk. En toen vonden ze een hele berg geitenhoorns want ze waren per toeval bovenop die groep verzopen geiten beland. Beetje luguber eigenlijk, maar dat vonden zij juist prachtig en zo besloten ze dat hun nieuwe stekkie Geytenhoren zou heten. Die spelling was toen hip. Nu is het verbasterd naar Giethoorn.
Die geschiedenis zelf is waarschijnlijk ook verbasterd. Er zijn mensen die beweren dat Giethoorn is ontstaan door een groep arme mensen die niet cool genoeg waren om in de buurt van de rijke stinkerds te wonen en op zoek moesten naar een nieuwe plek. Maar dat vind ik een saaie versie om te geloven. Níet saai was de creativiteit van die hoeren en criminelen. Want ze bouwden prachtige boerderijtjes en geinige slootjes. Echt super schattig, dat deden ze goed!
Die stormvloed van 1170 is echt gebeurd.
En in 1958 sloeg het noodlot opnieuw toe: Bert Haanstra maakte een film in Giethoorn want hij vond die huisjes met die watertjes uiteraard ook schattig. Die film, ‘Fanfare’, werd zowat wereldwijd gepromoot en met name in China. En die chinezen vonden die huisjes helemaal hot! Ze kwamen kijken, ieder jaar meer. Tot op de dag van vandaag.
En dat is de reden waarom aan sommige bruggetjes een bordje met Chinese tekens hangt. Ik denk dat er “Fuck off, dit is privéterrein!” in het chinees op staat. Want je zal er maar wonen en iedere dag afval uit je brievenbus moeten vissen omdat toeristen denken dat het afvalbakken zijn. Kunnen zij ook niks aan doen, zo’n groene plastic brievenbus ziet er inderdaad best afvalbakkig uit. Ben blij dat het fatsoenlijke mensen zijn en het afval niet gewoon op straat gooien!
Ik snap die toeristen wel, het is een heel bijzondere plek. Maar ik snap de frustratie van de bewoners ook. Ach, die hoeren en dat gespuis hadden toentertijd gewoon iets minder mooie huisjes moeten bouwen, dan was er niks aan de hand geweest.
Maar dan hadden mijn Lief en ik niet zo’n leuke vakantie gehad. Dus wat ons betreft: hoera voor hoeren!
Dit was mijn spreekbeurt over Giethoorn, ik zal later de plaatjes rond laten gaan.



Ik ben ooit als kind één dag in Giethoorn geweest. Ik herinner me mijn vader, die met een platte boot een restaurant ramde, mijn moeder, die een willekeurig huis binnenliep omdat ze dacht dat het een museum was, en één of andere man bij wie we een soort lava-steen mochten kraken, waarbij, tijdens het kraken, een stuk gesteente tegen het voorhoofd van mijn broer vloog. Het voelde als vier dagen.